Dit zijn de onderdelen van het praktijkexamen:
Zichtcontrole: de examinerende inspecteur kan je bijvoorbeeld vragen het kenteken van de voorligger te lezen of een tekst op een verkeersbord, om je zicht heel concreet te testen.
Controles binnen en buiten het voertuig: tijdens het praktijkexamen voert je inspecteur twee controles uit die samen voor drie punten tellen:
- 1 controle aan de binnenkant van het voertuig: 1 punt
- 1 controle aan de buitenkant van het voertuig: 1 punt
- 1 punt voor de gekoppelde vraag hierbij
Gestuurde noodstop naar een gemarkeerde plek (“precisieremen”): voer een gecontroleerde rem uit waar de signalering verplicht tot stilstand komt — of gebruik zoals gevraagd een scherp verticaal herkenpunt tijdens aanwijzing van je inspecteur.
Een manoeuvre achteruit: een van zes manoeuvres gekozen door de expert, plus het gekozen tijdstip.
- rechtuit achteruit
- achteruit in een rechte of gebogen beweging
- loodrecht parkeren (tussen twee wagens)
- schuin parkeren
- langsparkeerbeweging langs de berm
- half draaien
Vooral veiligheid en techniek tijdens de manoeuvre wegen door.
Puntenbereik: maximum 31 punten. Geslaagd vanaf minimum 20 punten én géén diskwalificatie. Er zijn vijf niveaus:
- DSQ — diskwalificatie: het examen wordt stopgezet omdat je jezelf of andere weggebruikers in gevaar brengt.
- 0: geen punten maar ook geen zware fout.
- 1 punt: competentie wordt opgebouwd maar is nog incompleet ten tijde van het examen.
- 2 punten: competentie verworven maar met kwaliteitsschommeling — bijvoorbeeld een te laattijdige richtingaanwijzer.
- 3 punten: volledige beheersing, telkens correct toegepast wanneer het nodig was.
Welke fout je ook maakt — grijpt de inspecteur fysiek in op pedalen of stuur, dan wordt dat automatisch beschouwd als diskwalificatie.
Als de inspecteur opmerkingen geeft, wil dat niet automatisch een zware fout zijn; het kan pedagogische bijsturing zijn tijdens het examen.